Beschrijving ophaalinstallatie

 

Klik op Homepage  om terug te keren naar het hoofdmenu.

 

 

 

                 Opstelling ophaalmachines      

                        

De schachtbokken bepalen de skyline van een mijnbedrijf.

                   Bij de traditionele opstelling staat de ophaalmachine naast de schachtbok opgesteld.

                   Twee kabels lopen vanaf de ophaalmachine over de schachtbok omlaag.

                    Wanneer de ophaalmachine in de schachtbok boven de schacht geplaatst is lopen de kabels direct vanaf de ophaalmachine omlaag.                       bladeren

 

 

 

 

 

                Grondmachine - Torenmachine             

          

                   bladeren

 

HOOFDSCHACHTEN

Naar de wijze van transport door de schachten kunnen we deze indelen in twee groepen:

a. schachten waarin het vervoer plaats heeft door middel van twee kooien waarop de volle of lege wagens worden geplaatst en

b. schachten met zogenaamd "skip‑transport". Hierbij worden de kolen ondergronds vanuit de wagens overgeladen in een grote bak, die naar boven getransporteerd wordt.

Bij deze laatste kan geen ander vervoer plaats hebben dan kolentransport. zonder een speciale installatie te monteren.

Aan een installatie van een hoofdschacht onderscheiden we de volgende hoofdonderdelen:

1. ophaalmachine;

2. Schachtbok met twee leidschijven;

3. bovenkabel en onderkabel;

4. kooiophanginrichtingen met vanginrichtingen;

5. kooien;

6. laad‑ en losvloeren.

Aanleg en,, onderhoud van bovengenoemde installatie wordt bijna geheel verzorgd door bovengrondse takken van dienst, voornamelijk de buitendienst. Aanleg en onderhoud van de laadvloeren komt voor rekening van de werktuigkundige afdeling ondergronds.

 

bladeren

 

 

 

 

                                                    De ophaalmachine                                               Homepage

 

Dit is een elektrische lier‑installatie, waarbij een koepeschijf (soms nog een trommel) wordt aangedreven door een of meer elektromotoren, elk ongeveer 1750 pk. Het aantal motoren is afhankelijk van de hijssnelheid, de grootte van de last en in zekere zin dus ook van de diepte van de schacht.

De foto  toont een ophaalmachine door twee elektromotoren gedreven, elk 1700 pk, die samen maar ook elk afzonderlijk in bedrijf kunnen zijn.

Motoren en koepeschijf zijn op dezelfde as gekoppeld. Deze laatste wordt op twee plaatsen ondersteund, tussen motor en schijf. Bovenomschreven opstelling kan als de meest voorkomende worden beschouwd. Andere mogelijke opstellingen zijn: Een motor links of rechts van de koepeschijf gemonteerd; twee motoren aan een zijde van de schijf opgesteld. bladeren

 

Enkele van de voornaamste gegevens van motor en machine.

De elektromotor is een gelijkstroommotor, die door een stroom van 120 Ampère wordt gevoed bij een spanning van 110 volt. Door transformatoren wordt deze spanning opgevoerd tot ca. 800 volt.

Uit het motorvermogen van 1700 pk volgt, dat het stroomverbruik circa 1200 kW bedraagt.

Het maximale aantal omwentelingen,van de schijf is 57,4 per minuut. De diameter van de snaarschijf ligt meestal rond 6500 mm. Uit deze gegevens kan een maximale hijssnelheid van 20 m/sec. worden berekend.

 De toegelaten snelheden voor  personenvervoer en kolenver­voer zijn respectievelijk 12 en 18 /sec.

De V‑vormige groef van de koepeschijf is geheel bekleed met rubber, waardoor slijtage tot een minimum beperkt blijft.

De bediening van de ophaalmachine geschiedt vanaf een stuurstoel, waarop zich drie bedieningshefbomen bevinden: a. één voor de noodrem; b. één voor de gewone rem en e. een voor het regelen van de stroom naar de motor.

bladeren

 

 

 

 

                                                 De bediening                                     Homepage

 

Om een veilig en bedrijf en een zeker transport mogelijk te maken is de machine met allerlei controleapparaten en automatische beveiligingen uitgerust. Over alle controleapparaten heeft de ophaalmachinist vanaf de stuurstoel een goed overzicht. De voornaamste van bovenbedoelde apparaten zijn:

de diepteaanwijzer;

een snelheidsmeter;

twee manometers;

drie ampèremeters;

een voltmeter;

een klok.

Een lichtscherm, dat vanaf de losvloer wordt bediend, om de machinist te waarschuwen dat er personenvervoer zal plaats hebben.

Een tweede lichtscherm, waarop het belsignaal, dat vanaf de losvloer naar de ophaalmachinekamer wordt doorgegeven, wordt geprojecteerd. bladeren

 

 

Plaatsbepaling van de kooien

Met behulp van de diepteaanwijzer, die de beweging van de kooien in de schacht op een schaal 1:200 weergeeft, is het uiteraard niet mogelijk voor de machinist om met de vereiste nauwkeurigheid de bodem van de liftkooi op gelijke hoogte met de los‑ of laadvloer te plaatsen. Om dit toch te bereiken zijn op de kabel witte merkstrepen aangebracht. Deze merkstrepen moeten met een vast punt op één lijn liggen, gezien vanaf*de zitplaats van de machinist. Als vast punt is hiertoe een witte pijl horizontaal opgesteld tussen de machine en de stuurstoel.

bladeren

 

 

 

 

 

 

 

                                                     Schachtkabels                                    Homepage

 

 

                       

  

 

 

 

 

De draden hebben een cirkelvormige doorsnede (zie fig. 2).

De diameter van de in gebruik zijnde kabels bedragen 0 58 en 52 mm. Ook het materiaal van onze kabels is niet altijd gelijk. Sommige kabels zijn gemaakt van staaldraad met een breekbelasting van 160‑175 kg/mm2 en andere met een breekbelasting van 175‑190 kg/mm2.

.

bladeren

*

 

De voordelen van deze kabels zijn:

Grotere soepelheid ten opzichte van kruisslag kabel ` waardoor kleinere schijven kunnen worden 2 toegepast. 

Grotere slijtvastheid ten opzichte van kruisslagkabel door het grotere oppervlak waarmede de enkele draden aan de oppervlakte van de kabel komen.

De fabricagemethode is minder gecompliceerd dan die van kruisslagkabels of kabels van speciale constructies, waardoor de kostprijs ook lager ligt.

 

De nadelen van langslagkabels:

1. De breekbelasting is lager dan bij kruisslagkabels van gelijke diameter.

2. Deze kabels zijn niet draaivrij (zgn. drall), waardoor bij toepassing van een enkele kabel de last steeds geleid moet worden, b.v. schachtkooien

In de toekomst zullen steeds meer torenmachines in gebruik

worden genomen, waarop geprofileerde kabel kan worden toegepast.

Voor een dwarsdoorsnede van zo'n kabel zie fig. 3.

 

 

Deze constructie biedt  verschillende voordelen,  o.a.:

beter bestand tegen  corrosie (d.i. in vloed van vocht of  waterdamp;

minder slijtage door  het gladde en daar door grotere oppervlak van de buiten draden van de kabel;

ze vertonen een geringe blijvende en elastische rek, wat  vooral van belang is na het opleggen van een nieuwe kabel,  omdat, wanneer deze rek groot is, versteken of inkorten van  de kabel tijdens de opvoer meermalen moet plaats hebben,  waardoor de installatie uiteraard buiten bedrijf gesteld  moet worden.

 

Deze kabel kan niet met succes worden toegepast op grondmachines, omdat hierbij altijd twee leidschijven in de kop van de schachtbok ingebouwd dienen te worden, waarbij de kabel, aflopend in twee parten van de koepeschijf, tegen de opstaande randen van de V‑vormige groef zal lopen zie fig. 4  zowel van de koepeschijf van de machine als van de leidschijven.

 

 

bladeren

 

 

 

 

 

 

 

             Onderkabel (sjlodderseel)                                    Homepage

 

                       

             

 

 

Behalve de hierboven beschreven bovenkabels worden bij schachtinstallaties altijd en bij op‑ of neerbraken veelal onderkabels toegepast. Dit gebeurt met een tweeledig doel:

als variabel contragewicht voor de bovenkabel, waardoor de kans op schuiven van de bovenkabel door de koepeschijf tot een minimum wordt teruggebracht;

als stabilisator, waardoor de kooi minder zijdelingse bewegingen zal maken en de kans op vastlopen in de geleidingsbomen wordt beperkt.

Onderkabels voor hoofd‑ en tussenschachten worden meestal uitgevoerd met een platte doorsnede, omdat deze de stabiliserende werking nog verhoogt; voor op‑ of neerbraken gebruikt men meestal afgekeurde bovenkabel. Uit veiligheidsoverwegingen is tegen dit laatste geen bezwaar, omdat de sterkte van deze kabel geen invloed uitoefent op de sterkte van de bovenkabel.

*              bladeren

De constructie van de platte kabel.

 

Deze is uiteraard geheel anders dan die van de bovenkabels.

 De kabel bestaat uit een aantal groepen (meestal 4 of 6)

EH va strengen, dus in totaal 116 of 24 strengen. (zie  fig.5)

 De strengen in de groep  worden kruisslag gesla­gen, afwisselend links  en rechtsgangig.

 De groepen worden in dwarsrichting enkelvou­dig of dubbel genaaid. (zie fig. 6).

Om zich een juist beeld van de afmetingen van een onderkabel, zoals die bij de Staatsmijnen aan de hoofdschachten in gebruik zijn, te kunnen vormen, volgt hier van zo'n kabel de wijze van aanduiding, waarin de afmetingen opgesloten liggen.

215 x 27 hoofdafmetingen

120:130 kg/mm2 breekbelasting

10 x 4 x 14 x 2 waarin:        

10 is het aantal groepen in een kabel;

4 is het aantal strengen in een groep;

14 is het aantal draden in een streng;

2 is de diameter van een draad in mm.

‑Deze kabel is genaaid met een kabel van 5 strengen van elk 7 draadjes met een diameter van 1,5 mm van de enkele draad en wordt aangeduid met 5 x 7 x 1,5. Het gewicht van deze kabel is 12,24 kg/m.

Voor belangrijke op‑ en neerbraken zijn platte onderkabels ook wel in gebruik, waarbij de afmetingen aangepast zijn aan die van de lierinstallatie, b.v.:

hoofdafmetingen: 88 x 19

constructie: 6 x 4 x 7 x 1,9

genaaid met: 5 x 7 x 1,6.

bladeren

 

 

 

 

 

 

 

 

 

            Ophanginrichting                                       Homepage

 

 

 

 

 

De ophanginrichtingen van schachtkooien hebben op de eerste plaats ten doel liet bevestigen van de kabel aan de kooi en ten tweede om het nadeel van de blijvende rek van de kabel te kunnen opvangen. Doordat een nieuwe kabel in het begin oprekt, waardoor de beide kooien niet meer tegelijkertijd met de bodem van los‑ of laadvloer gelijk kunnen staan, moet een snelle verplaatsing van de kooi ten opzichte van de kabel mogelijk zijn. Dit zogenaamde inkorten door middel van versteken moet in zeer korte tijd kunnen plaats hebben, omdat dit zelfs tijdens de opvoer moet kunnen gebeuren, zonder dat hierdoor de dagproductie van de schacht ernstig wordt geschaad.

In fig. 7 ziet men de ophanginrichting van een hoofdkooi zoals die o.a. bij de schachtinstallatie van de Staatsmijnen in gebruik is.

De kabel is om een kabelkous geslagen en met 10 kabelklemmen bevestigd. Door middel van een pen en het onderste gat in de kabelkous zijn hieraan 2 lamellen verbonden, waarin verder nog 7 gaten zijn geboord op onderlinge afstanden van 200 mm. In het juk, waaraan de lamellen eveneens bevestigd worden, zijn 2 gaten geboord met dezelfde diameter als die in de lamellen, maar cp een afstand van 300 mm h.o.h.

Hierdoor is de minimale versteking die mogelijk is gelijk aan 100 mm en de maximale 1000 mm.

bladeren

 

 

inkorten

 

Het inkorten door middel van versteken gebeurt als volgt: Men vangt de laagshangende kooi het eerst op door deze ter hoogte van de laagste verdieping, waarop deze schachtinstallatie trekt op een paar zware balken te plaatsen. Wanneer ingekort moet worden hangt de hoogste kooi natuurlijk te diep. Deze kooi wordt door middel van twee zware vijzels en een zware balk opgevijzeld. De kabel boven deze kooi verliest daardoor haar spanning; nu kan de verbindingspen van lamellen en juk uitgenomen worden en afhankelijk van de in te korten afstand weer worden gemonteerd. Het aantal gaten dat verstoken wordt, moet door de seingever en de ophaalmachinist worden bepaald. De seingever meet de afstand die de kooi te laag staat ten opzichte van de losvloer, terwijl de andere kooi gelijk staat met de laadplaats. De ophaalmachinist meet dit met behulp van de merkstrepen op de kabel en het vaste aanwijspunt voor de snaarschijf.

Het juk is weer met pennen (twee stuks) aan de lamellen bevestigd en hieraan de harpen.

bladeren

 

 

 

 

 

 

**

 

 

 

Een andere ophanginrichting laat fig. 8 zien.

Deze wijkt van de vorige belangrijk af wat betreft de bevestiging van de kabel. De kabelklemmen zijn vervangen door een zgn. B. en K.‑klem Het kabeluiteinde wordt geklemd door 2 stel tangentiaal spieën. Hoe groter de last, des te beter is de klemming. Immers, de last wordt via twee harpen lamellen en vorkschalmen overgebracht op twee hefbomen met nokken en deze nokken drukken in dwarsrichting op de tangentiaal‑spieën. Op het uiteinde van de kabel wordt nog een speciale klem gemonteerd, die verhindert dat bij weigeren van de spieën de kooi zou afvallen.

 

bladeren

 

 

 

***

                                            In fig. 9 is de werking van de spieën en hefbomen nog eens apart getekend.

bladeren

 

 

 

 

                                              De vanginrichting                            Homepage

 

 

De vanginrichting op de kooien van een schachtinstallatie is een speciale beveiliging die bedoeld is om, in het uitzonderlijke geval dat een schachtkabel zou breken of losraken van het hartstuk, de beide kooien nog tijdig tot stilstand te kunnen brengen. Een meer voorkomend geval waarin deze beveiliging ook in werking treedt, is wanneer een van de beide kooien op de beweegbare v‑loeren van de verdieping ondergronds wordt geplaatst. Hierbij treedt echter meestal geen of weinig materiële schade op.

De vanginrichting is aangebracht tussen de ophanginrichting en de kooien.

In de figuren 10 en 11 is zo'n vanginrichting weergegeven in normale stand en in een stand dat de vanginrichting in werking is geweest.

 

 

De werking

Wanneer bijv. bij kabelbreuk of enige andere oorzaak de verbinding tussen kabel en kooi verbroken zou worden, dan zullen door het eigen gewicht van het hartstuk (2), de lamellen (3), het juk 4), de vorkschalmen (5), deze naar beneden vallen en tevens naar elkaar toeknikken (zie fig. 11), tengevolge van de langwerpige gaten waarin de scharnierpennen 6) zich naar beneden kunnen bewegen.

 Het naar elkaar toeknikken van de vorkschalmen gebeurt onder invloed van de bladveer (11), die de beide kettingen (9) naar beneden trekt. In gespannen toestand is de veer gestrekt (zie fig. 10), ongespannen is ze gebogen. Het gevolg hiervan zal zijn, dat het juk (10), waaraan de kettingen verstelbaar verbonden zijn, eveneens zal zakken. Deze beweging wordt via een paar verbindingsstrippen, waar de veerhouder aan vast zit, overgebracht op het juk (12). Dit juk verbindt de beide hefbomen 13) scharnierend met elkaar. De hefbomen draaien om vaste scharnierpunten A en Al, dit zijn een paar pennen, die in de kop van de kooi zijn aangebracht. De andere uiteinden van de  hefbomen drukken dan onder de zgn.  vangklauwen (vier stuks per kooi),  die daardoor op de geleidingsbomen  aangrijpen (twee stuks per geleidingsboom).

In fig. 12 is een zijaanzicht van de kooi getekend, waarin duidelijk te zien is, dat de klauwen op de geleidingsboom aangrijpen.

 

bladeren

           

 

 

 

 

 


                                               Kooien                                        Homepage

 

Bij de Staatsmijnen zijn voor de hoofdschachten twee typen kooien in gebruik, dat wil zeggen, kooien bedoeld voor personen en wagenvervoer. Naast kooivervoer kennen we immers ook skiptransport.

De beide typen bestaan uit vier etages. Elke etage kan twee kleine mijnwagens bevatten. Het verschil tussen de beide typen bestaat dan hierin, dat deze wagens ofwel naast elkaar ofwel achterelkaar op de kooi worden geplaatst; in het eerste geval vertoont de kooi een ongeveer vierkante doorsnede, in het laatste een rechthoekige.

Beide typen worden, zoals reeds opgemerkt, voor personen en wagenvervoer gebruikt. Vanwege het personenvervoer moeten de verschillende etages aan voor‑ en achterzijde van deuren kunnen worden voorzien, die alleen van buiten af vergrendeld en ontgrendeld kunnen worden. Elke deur bestaat uit twee helften, die in het midden gesloten worden en alleen naar binnen te openen zijn.

Tijdens het wagenvervoer worden deze deuren uitgenomen en zijn de kooien van voren en van achteren open.

De kooien zijn opgebouwd uit vier zware samengestelde vloeren, voorzien van enkel of dubbel spoor met vergrendelpallen, een kop waaraan de ophanginrichting met vanginrichting is bevestigd en zijwanden van geperforeerd stalen plaat met strippen versterkt.

Aan voor‑ en achterzijde, ook in‑ en uitrijzijde genoemd, van de kooien zijn op de onderste vloer, de tussenvloeren en de kooikop slijtplaten verwisselbaar gemonteerd. Deze dienen voor de geleiding van de kooi tussen de geleidingsbomen.

De hoofdafmetingen (globaal) van beide kooitypen zijn: voor kooi met enkel spoor: 8800 x 3700 x 950 mm; voor kooi met dubbel spoor: 9500 x 2000 x 1700 mm; hart op hart spoor is 550 mm; hart op hart sporen voor kooi met dubbel spoor is 860 mm.

In fig. 13 zijn drie aanzichten van een kooi met enkel spoor, in fig. 14 van een kooi met dubbel spoor getekend. (zie fig. 13 en 14).

 

 

Kooiversnelling                              Homepage

Kooiversnelling a = 1,5 m/sec.2. De gemiddelde versnelling is weliswaar ca. 0,75 m/sec.2, maar uit metingen is gebleken, dat bij het begin van het wegtrekken de dubbele waarde wordt bereikt. Dit is in overeenstemming met de theorie als men de kooi beschouwt als een massa, die is opgehangen aan een elastisch koord. Etagehoogte 2000 mm.

bladeren

 

 

 

                                                  De laadvloeren                               Homepage

 

De laadvloeren bevinden zich op de hoofdverdiepingen in de laadplaatsen.

Onder laadplaatsen op hoofdverdiepingen worden hier uiteraard verstaan die laadplaatsen waar inderdaad kolenwagens direct naar boven gestuurd worden, ‑of van de ene hoofdverdieping naar een andere (via tussenschachten.

Het is een installatie, die een snelle maar veilige wijze van het opsturen van kolenwagens mogelijk moet maken.

De opstuurinrichting van zo’n laadvloer bestaat daartoe uit de volgende samenstellende elementen (zie fig. 15)

Een stel opdrukkers (twee of vier, afhankelijke van het  feit of smalle of brede kooien worden gebruikt) om de wagens snel op de kooi te plaatsen, waardoor tevens de op de kooi staande lege wagens kunnen worden afgestoten.

Op de sporen bevinden zich twee stel pallen, schachtpallen en hoofdpallen, die de wagens vasthouden tot, en open gaan op het moment dat de opdrukkers de wagens beginnen op te duwen.

Bij elke pal behoort een schachtrem of hoofdrem en slip rem om de aflopende wagens op de hellende laadvloer af te remmen en de schokken op de pallen te verminderen. De schachtpallen en ‑remmen bevinden zich het kortst bij de schacht.

De beweegbare vloeren, die scharnierend op en neer worden  bewogen door veercilinders en dienen om het niveauverschil tussen de laadvloer en de kooivloer op te heffen. De oorzaak hiervan is de veranderlijke kabellengte tengevolge van de tijdelijke en blijvende rek van de kabel.

 Eventueel een bijtrekker, die dient om de wagens van de  hoofdpal naar de schachtpal te verplaatsen. Soms ontbreekt deze en laat men de wagens, na het openen van de hoofdpal en ‑rem, alleen tengevolge van de helling aflopen naar de schachtpal en ‑rem.

De wagenvanger met teruglooppal. Deze dient om de volle  wagens op de juiste plaats op de kooi te stoppen en de afgestoten lege wagens af te remmen.

Ook de onder punt 6 genoemde wagenvanger is niet altijd aanwezig; in dat geval dan echter wel een teruglooppal.

bladeren

 

 


Het opsturen                              Homepage

 

Om enig inzicht te kunnen krijgen in de werking, bediening en beveiliging van een opstuurinrichting is het nodig, dat men op de hoogte is met de gang van zaken in de gehele laadplaats. Hier volgt daarom een overzicht van de verplaatsing van een mijnwagen vanuit de opdrukbaan tot op de kooi in verschillende fasen:

De wagen wordt nadat hij door de opdrukbaan gevoerd is los gekoppeld van de volgende wagen. Op dit moment passeert de wagen een hoogste punt, waarna hij versnellend op een automatische verdeelwissel toeloopt, die er voor zorgt, dat afwisselend in het spoor (of de sporen bij toepassing van een brede kooi) voor de beide kooien een zelfde aantal wagens op de laadvloeren toeloopt. In deze sporen moeten echter steeds acht wagens aanwezig zijn om een snel en ononderbroken opsturen mogelijk te maken.

De wagen wordt afgeremd door de hoofdrem en tot staan gebracht door de hoofdpal.

Eventueel van de hoofdpal naar de schachtpal bijgetrokken door de bijtrekker indien deze aanwezig is.

Op de schachtpal toelopend wordt hij afgeremd door de schachtrem.

 Zodra nu een etage van de kooi voorstaat en de beweegbare vloer op de kooivloer rust, zal de seingever de opduwer in beweging brengen, de schachtpallen zijn intussen ook opengegaan, en de duwerarm van de duwerwagen drukt achter de as van de wagen waardoor deze op de kooi geplaatst wordt, tegelijkertijd een lege wagen van de kool stotend.

 

 Enerzijds door het wegtrekken van de kooi, anderzijds door  de bediening van de seingever, wordt de laadvloer nu in een toestand gebracht, waarbij geen verplaatsing van de wagens mogelijk is, doordat remmen en pallen en beweegbare vloeren vergrendeld zijn. De schachtdeuren worden door een aparte bediening pneumatisch gesloten.

De afgestoten lege wagen loopt over de beweegbare vloer aan  de achterzijde van de schacht, afgeremd door een wagenvanger of door een rem‑ en palstel. Via verschillende wissels worden de lege wagens naar een van de opstelsporen gevoerd. Wanneer hierin 60 wagens opgesteld staan, wordt er een locomotief voor geplaatst en wacht de machinist van de trein met lege wagens op een teken van de vervoerregelaar of telefonist, die soms beide functies heeft, om te vertrekken naar het laadpunt van een afdeling. De volle wagen die met de kooi naar boven is gegaan, wordt op de losvloer met een cirkelwipper leeg gestort en.via een wagenomloop weer op de kooi gebracht en naar de laadplaats getransporteerd.

 

bladeren

 

 

 


                          Veiligheid                                             Homepage            

 

 

 

 

Een opstuurinrichting en alles wat daarbij hoort moet, wil zij werkelijk effectief zijn. een maximum aan veiligheid bieden. Hieruit volgt dat het opstuurtempo en de eenvoud van de bediening ondergeschikt moeten zijn aan de veiligheid. Wel moet bij dat maximum aan veiligheid gestreefd worden naar het hoogst mogelijke opstuurtempo en de meest eenvoudige bediening.

De beveiliging moet van tweeërlei aard zijn:

geschikt tijdens het opsturen van wagens;

door een kleine wijziging geschikt gemaakt kunnen worden voor het personenvervoer.

 

 

 

beveiligingen

Enkele van de voornaamste beveiligingen op de installatie zijn:

- dat beweegbare vloeren niet omlaag kunnen komen wanneer de kooi niet voorstaat;

- dat schachtpallen en hoofdpallen niet tegelijkertijd mogen opengaan;

- dat bij uitvallen van de perslucht de installatie automatisch vergrendeld is; dit geldt ook voor de elektrische stroom;

- dat, bij weigeren van een ventiel of schuifkastje van een bepaald deel van de installatie, de andere delen ook weigeren,

- dat bij personenvervoer speciale beveiligingen ervoor zorgen, dat de opstuurinrichting, behalve de beweegbare vloeren, vergrendeld worden.

bladeren

 

Het opstuurtempo                            Homepage

Het opstuurtempo is van twee factoren afhankelijk:

van het goed en snel functioneren van de opstuurinrichting, d.w.z. zonder onnodig tijdverlies;

het bedienen van de opstuurinrichting door de seingever op het juiste moment. Dit behoeft geen nadere uitleg.

Het tempo is zo hoog mogelijk indien het tijdinterval om een wagen op te sturen, bijv. van het moment dat de schachtpal open gaat tot het moment dat ze weer opengaat voor de volgende wagen, zo klein mogelijk is.

In het schema van fig. 16 zijn de hiervoor benodigde handelingen weergegeven.

Uit dit schema blijkt, dat er tegelijkertijd twee wagens in beweging zijn: de op te sturen wagen van schachtpal naar kooi en de wagen die moet bijlopen van hoofdpal naar schachtpal. De benodigde tijd voor deze laatste wagen moet dan iets korter kunnen zijn dan die voor de eerste. De tijd, nodig voor de op te sturen wagen, is + 10 sec. (6 sec. om de wagen van de schachtpal op te kooi te plaatsen, 0,5 sec. om de wagenvanger neer te laten, 1 sec. om het sein van 2 slagen te geven en 2,5 sec. die de ophaalmachinist nodig heeft om de kooi om te zetten. De tijd nodig voor het bijlopen van de volgende wagen bedraagt ongeveer 7 sec., zodat de bijlopende wagen ruim op tijd voor de schachtpal gereed kan staan om opgestuurd te worden.

Homepage